BLOG

De toekomst van de sloop

Lotte-Marie Brouwer

Hoe het circulaire collectief Insert de bouwsector renoveert

Deze blog is gebaseerd op een interview met Peter Kreukniet. English translation here.
Foto: Stichting Insert


Peter Kreukniet voelt zich minder thuis bij een sterk ideologische benadering van duurzaamheid – in zijn woorden: “die met de geitenwollen sokken” – en kiest liever voor een praktische, marktgerichte aanpak. Van origine is hij marketeer, opgeleid in de commerciële economie, en werkzaam geweest in de chemische- en lijmenindustrie bij multinationals zoals AkzoNobel en Henkel. Op zijn 52ste kwam hij door een reorganisatie ineens op een kruispunt te staan: “Wat ga ik dan doen?”

Het antwoord kwam deels voort uit zijn verlangen om iets waardevols na te laten aan zijn kinderen, en deels uit zijn eigen opvoeding. Peter behoort tot de babyboomgeneratie en groeide op in een tijd waarin hergebruik geen modewoord was, maar vaak noodzaak en gezond verstand. “Circulariteit komt, als je naar de oude generatie kijkt, meer uit het behoud van dingen,” vertelt Peter. “Hoe kunnen we dingen repareren?” Hij herinnert zich bijvoorbeeld dat de wasdroger van zijn moeder vijftig jaar meeging. Dat contrasteert met een huidige consumptiecultuur waarin producten vaker een kortere gebruiksduur hebben. Producenten staan daarbij voor de uitdaging om commerciële verdienmodellen, betaalbaarheid, repareerbaarheid en een langere levensduur beter met elkaar te verbinden.

Zijn overstap van de lineaire, corporate wereld naar de circulaire bouweconomie begon toen hij startte bij een sloopbedrijf. De eigenaar gaf hem een bureau, een stoel, en de opdracht om een recyclingtak binnen het bedrijf op te zetten: "Bedenk maar wat en ga het maar uitvinden". Het was 2012, circulariteit was in die tijd nog een niche. Maar Peter zag al snel dat de echte sleutel tot circulariteit niet binnen één bedrijf lag, maar in samenwerking.

Toen in 2018 de basis werd gelegd voor Insert, voortgekomen uit de ambitie om materialen van een groot slooptraject van twee ziekenhuizen aantoonbaar te hergebruiken, maakte Peter de bewuste keuze om Insert een stichting te maken. Onafhankelijk. "In de circulaire wereld is het belangrijk dat je met iedereen kan werken", legt Peter uit. Als commerciële partij zou een samenwerking met de ene grote bouwer direct argwaan wekken bij de concurrent. Als onafhankelijke stichting kan Insert juist optreden als neutrale verbinder, die iedereen aan tafel krijgt.

Foto: Stichting Insert


Moeten we überhaupt wel slopen?

Als we het over circulariteit in de bouw hebben, dan moest ik het interview natuurlijk met de meest fundamentele vraag beginnen: moeten we überhaupt wel slopen? 

Volgens Peter krijgt in de huidige bouwpraktijk volledige sloop vaak de voorkeur, omdat deze route binnen bestaande planningen, budgetten en verantwoordelijkheden eenvoudiger, sneller en goedkoper kan lijken dan een zorgvuldig onderzoek naar renovatie en behoud.

Daar ligt een gezamenlijke uitdaging: de bouwketen is nog grotendeels ingericht op nieuwe grondstoffen en voorspelbare nieuwbouwprocessen, terwijl elke nieuwe vierkante meter energie en producten of grondstoffen vraagt. Echte circulariteit begint daarom bij het serieus onderzoeken hoe bestaande gebouwen en onderdelen beter kunnen worden benut.

Toch wordt nog vaak voor sloop gekozen. Naast kosten, tijd en uitvoerbaarheid speelt ook de professionele wens mee om een herkenbaar ontwerp of resultaat achter te laten. Architecten werken daarbij binnen de ambities en randvoorwaarden van opdrachtgevers, regelgeving, budgetten en beschikbare materialen.

Tegelijkertijd groeit het besef dat architectonische kwaliteit en circulariteit elkaar kunnen versterken. Steeds meer architecten onderzoeken hoe zij de constructieve kern van een gebouw kunnen behouden en met een nieuwe, hoogwaardige schil toch een herkenbare en waardevolle bijdrage kunnen leveren.

Om vast te stellen of grondstoffen zo hoogwaardig mogelijk in de keten worden gehouden, wordt vaak de 10-R ladder gebruikt. In de praktijk brengt Peter de R-ladder terug tot drie concrete R’s die vaak uitvoerbaar zijn: Reuse, Refurbish en hoogwaardige en laagwaardige Recycling.


Foto: R-ladder


Maar hoeveel van een gesloopt pand kan er daadwerkelijk worden hergebruikt? In de markt worden soms percentages tot 90% genoemd, waarbij verschillende definities van hergebruik en recycling door elkaar kunnen lopen. Peter benadrukt dat het resultaat sterk afhangt van het type gebouw, de staat van de materialen, de beschikbare afzetmarkt en de technische eisen. Bij intensief gebruikte sociale huurwoningen kan hoogwaardig hergebruik bijvoorbeeld extra lastig zijn.

Een grote uitdaging in de bouw- en sloopsector is dat projecten worden gestuurd door scherpe budgetten, strakke planningen, volumes en contractuele verplichtingen. Daardoor kiezen professionals soms noodgedwongen voor toepassingen op de lagere treden van de R-ladder, omdat daarvoor al logistiek, regelgeving en afzetmarkten bestaan. Denk aan beton dat na de sloop als wegfundatie onder een weg wordt toegepast als laagwaardige recycling (R8), of hout dat met subsidie wordt ingezet voor energieopwekking (R9). Zulke toepassingen kunnen materiaalverlies beperken, maar brengen de sector nog niet vanzelf naar hoogwaardig hergebruik. Voor die volgende stap zijn passende businesscases, ontwerpkeuzes, kwaliteitsborging, opslagruimte, opdrachtgeverschap en samenwerking in de hele keten nodig.

Tegelijkertijd zijn de lage R-ladder toepassingen soms ook gewoon de meest reële optie binnen de huidige volumes en technische eisen. Beton bijvoorbeeld kan zelden voor 100% hoogwaardig worden hergebruikt en tegelijk blijft er reële vraag naar wegfundatie. Zouden we sloopbeton daar niet meer voor gebruiken, dan moet er een alternatief komen, dat mogelijk minder circulair is dan wat we nu doen. Second-order thinking is hier belangrijk: als we de laagste treden van de R-ladder zouden verbieden zonder een echt alternatief, kan het resultaat per saldo minder circulair uitpakken, niet meer.


Vier partijen, vier belangen

Om de overstap naar de Nieuwe Economie te maken, moeten de betrokken partijen in de keten hun werkwijzen en belangen beter op elkaar afstemmen. Dat is ingewikkeld, omdat iedere partij eigen verantwoordelijkheden, risico’s, expertise en randvoorwaarden heeft.

Projectontwikkelaars hebben veel invloed op ontwerp- en investeringsbesluiten en werken binnen financiële haalbaarheid, doorlooptijd, regelgeving en marktvraag. Peter beschrijft hoe de praktijk sterk kan sturen op snelheid, verkoopbaarheid en het tijdig starten van een volgend project. Tegelijkertijd kunnen ontwikkelaars circulaire keuzes mogelijk maken wanneer risico’s, opbrengsten en prestaties vooraf helder zijn. Ook woningcorporaties geven regelmatig opdracht tot sloop, renovatie en nieuwbouw. Hun kerntaak is het bieden van betaalbare, kwalitatief goede huisvesting aan mensen met een lager inkomen. Zij moeten circulariteit afwegen tegen beschikbaarheid, woonkwaliteit, betaalbaarheid en continuïteit voor bewoners. Daarnaast zijn er particuliere opdrachtgevers en wooncoöperaties, waarbij bewoners gezamenlijk eigenaar blijven. Insert werkt soms met zulke initiatieven, maar beperkte budgetten kunnen de toepassing van circulaire oplossingen bemoeilijken.

Architecten willen steeds vaker circulair ontwerpen en kunnen daarin een belangrijke verbindende en creatieve rol spelen. Hun invloed wordt in het Nederlandse bouwproces echter mede bepaald door de opdracht, het beschikbare budget, regelgeving, materiaalinformatie en de keuzes van ontwikkelaars en aannemers. Om circulaire ambities uitvoerbaar te maken, hebben zij vroegtijdige samenwerking en duidelijke ruimte in de opdracht nodig.

Sloopaannemers en demontagebedrijven beschikken over waardevolle kennis van materialen, veiligheid, logistiek en zorgvuldig demonteren. Zij werken vaak onder hoge tijds- en kostendruk en hebben voor hoogwaardig hergebruik bovendien tijdige materiaalinventarisaties, afzetzekerheid, opslagruimte en passende contractafspraken nodig.

Gemeenten verbinden maatschappelijke ambities aan hun rollen als beleidsmaker, vergunningverlener, grondeigenaar en opdrachtgever. Zij hebben daarbij te maken met wisselende politieke prioriteiten, wettelijke kaders, capaciteit en langlopende bouwprocessen. Bestendige doelen en uitvoerbare afspraken kunnen professionals helpen om circulariteit over bestuursperioden heen vast te houden.

Midden in dit krachtenveld werkt Insert als onafhankelijke stichting aan verbinding tussen de partijen. De organisatie helpt om belangen en expertise bij elkaar te brengen, praktische belemmeringen bespreekbaar te maken en de markt stap voor stap te ondersteunen bij circulaire keuzes.


Foto: Stichting Insert


Hoe Insert dat doet

De materiaalinventarisatie. Voorafgaand aan een sloop of herbestemming brengen bouwkundige experts eerst nauwgezet in kaart wat er in een gebouw zit. Peter: "Bouwkundige mensen gaan dan de gebouwen in en die nemen de ruimte op. Ze kijken: wat zit erin? En wat kan ik hergebruiken?" Met digitale opname technologie wordt elk materiaal gecategoriseerd volgens landelijke standaarden zoals STABU, tot op detailniveau: "Ik heb een deur. Is die deur links draaiend, rechtsdraaiend? Stompendeur, opdekdeur? Wat zijn de afmetingen, wat is de kwaliteit? Die kun je allemaal gewoon digitaal invullen." Zo staan er in één keer 300 producten klaar om te publiceren op de marktplaats, en ontstaat een digitaal gebouwpaspoort waarin precies is vastgelegd waar elk element vandaan komt. 

De marktplaats. Het begon allemaal met de behoefte om materialen uit sloopprojecten een tweede leven te geven. Aanbieders voeren hun materialen eenmalig in op hun eigen vertrouwde verkoopkanaal, via een API-koppeling of plugin, en dankzij die koppeling verschijnen ze automatisch ook op het landelijke platform van Insert. "Eén invoer, twee podia", noemt Peter dat. Geïnteresseerde kopers kunnen met één klik contact opnemen met de aanbieder.

Binnen dit digitale platformmodel staat Reuse (R3) met stip op één: door geoogste materialen via de marktplaats direct in hun originele vorm en fysieke functie aan te bieden voor nieuwe projecten, wordt de winning en productie van nieuwe, milieubelastende materialen volledig voorkomen.

Insert onderzoekt momenteel hoe de versnippering van circulaire bouwmarktplaatsen kan worden verminderd. Er zijn inmiddels meer dan 300 van zulke platforms in Nederland. Veel initiatieven staan voor dezelfde uitdagingen: voldoende vindbaarheid, een actueel aanbod, betrouwbare productinformatie en genoeg transacties om duurzaam te kunnen functioneren. Insert wil als onafhankelijke schakel, vanuit de rol van Nationaal Platform voor herbruikbare producten, materialen en grondstoffen bijdragen aan een landelijke “circulaire snelweg” die deze initiatieven digitaal met elkaar verbindt en zo meer schaal en bereik mogelijk maakt.


Foto: Insert Marktplaats


De Coöperatie Insert. Omdat Insert als stichting geen commerciële verkoopkanalen wil exploiteren, werd eind 2020 de Coöperatie Insert opgericht. Hierin werken dertien sloopaannemers samen om materiaalstromen fysiek te verwerken en hoogwaardig te hergebruiken. Denk aan het refurbishen (R5) van systeemplafondplaten die anders mogelijk in de verbrandingsoven belanden, of het herverwerken van tropisch loofhout uit sloopprojecten tot nieuwe kozijnen met een KOMO- en FSC-recycled keurmerk. De coöperatie laat zien hoe sloopaannemers en demontagebedrijven hun bestaande vakkennis kunnen inzetten en verder ontwikkelen om als oogsters van waardevolle materialen een belangrijke rol te spelen in de Nieuwe Economie.


Praktische lessen

Uit Peter zijn verhaal zijn verschillende praktische lessen te leren.

1. Betrek zowel aannemers als sloop- en demontageprofessionals vroegtijdig bij de vraag wat behouden kan worden. Aannemers brengen kennis in over bouwen, planning en uitvoerbaarheid; sloopaannemers en demontagebedrijven hebben specifieke expertise in veilig losmaken, oogsten en opnieuw beschikbaar maken van materialen. Juist de combinatie helpt om haalbare circulaire keuzes te maken.

2. Bouw vertrouwen op met haalbare stappen. Een directe ambitie van 100% circulariteit kan bij projectontwikkelaars en andere opdrachtgevers vragen oproepen over kosten, planning, kwaliteit en risico’s. “Laat ons nou eens 2, 3 of 4 procent circulariteit invlechten. Het gaat je niet meer kosten, je gaat geen tijdverlies hebben en je gaat het mooi vinden.” Wanneer een eerste toepassing aantoonbaar werkt, ontstaat ruimte om in volgende projecten verder op te schalen.

3. Sluit beleid aan op de uitvoeringspraktijk. Wethouders en beleidsprofessionals kunnen richting geven met ambities en kaders; projectleiders en uitvoerende teams moeten die binnen planning, budget, veiligheid en kwaliteit realiseren. Betrek hen daarom vroeg en zorg dat circulaire oplossingen praktisch toepasbaar zijn.

4. Zorg voor onafhankelijke governance. Wil je een sector transformeren, dan moet je boven de partijen kunnen staan. Door je onafhankelijkheid te borgen, bijvoorbeeld in een stichting, voorkom je dat commerciële concurrentie de noodzakelijke samenwerking blokkeert.

 

Op weg naar de Nieuwe Economie

Insert levert een belangrijke bijdrage, maar opereert binnen een bouwketen waarin circulaire initiatieven vaak nog moeilijk kunnen concurreren met gevestigde lineaire processen. Ontwikkelaars, investeerders en andere marktpartijen moeten rendement, risico’s, regelgeving en continuïteit afwegen, terwijl organisaties zoals Insert veel inspanning leveren om nieuwe samenwerkingen en verdienmodellen op gang te brengen. De uitdaging is om financiële waarde en maatschappelijke waarde beter met elkaar te verbinden, zodat investeren in circulariteit niet alleen als profilering wordt ingezet, maar aantoonbaar bijdraagt aan langdurig hergebruik en verdere ontwikkeling van de circulaire economie.

De cijfers bevestigen die urgentie. Peter schat het huidige hergebruikpercentage in de bouw op slechts 1,5 tot 3%. Volgens het Nationaal Oogstrapport 2026 komt jaarlijks bijna 5 miljoen ton aan bouwmaterialen vrij bij sloop- en renovatieprojecten in de woning- en utiliteitsbouw, waarvan slechts 10-15% terugkeert als hoogwaardig bouwmateriaal. De officiële Nationale Aanpak Hergebruik Bouwmaterialen mikt op 30% hergebruik van materialen uit gebouwen en infrastructuur in 2035, een streefjaar dat inmiddels al is bijgesteld ten opzichte van eerdere, ambitieuzere doelen. 

Een deel van die achterstand hangt samen met het belastingstelsel: arbeid wordt relatief zwaar belast, terwijl het gebruik van nieuwe materialen minder direct wordt belast. Daardoor is hergebruik, dat vaak meer onderzoek, demontage, opslag, kwaliteitscontrole en vakmanschap vraagt, financieel moeilijker rond te rekenen. Dit is niet eenvoudig toe te schrijven aan de bereidheid van individuele sloopaannemers, ontwikkelaars of andere professionals; het is een systeemvraagstuk dat vraagt om ondersteunend beleid, passende opdrachtvoorwaarden en betere waardering van arbeid en behouden materialen.

Ook het Besluit bouwwerken leefomgeving werkt soms tegen circulariteit in plaats van ervoor. Het stelt strikte eisen aan bijvoorbeeld plafondhoogtes en deurbreedtes, waardoor een oude deur uit een sloopproject vaak niet zomaar één-op-één herplaatst kan worden in een nieuw gebouw. Een deel van de oplossing ligt daarom niet alleen bij marktpartijen zoals Insert, maar ook bij regelgeving die zich aanpast aan wat al circulair beschikbaar is, in plaats van dat elk hergebruikt materiaal zich naar steeds veranderende normen moet plooien. Een potentieel interessante oplossing hiervoor is modulaire bouw op basis van de circulaire materialen die beschikbaar zijn.

Na het gesprek met Peter vroeg ik me af welke vragen we moeten blijven stellen, om ervoor te zorgen dat “de kleine stappen” echt richting de Nieuwe Economie gaan, en niet richting het greenwashen van de oude. Ik kom op de volgende drie:

  1. Levert het initiatief meer wonen op met minder energie- en materiaalgebruik?

2. Wie bezit en bestuurt het, en hoe worden financiële en maatschappelijke opbrengsten verdeeld?

  1. Is het initiatief goed voor menselijk welzijn, betaalbaar en toegankelijk?

Echte circulariteit gaat niet over efficiënter weggooien en hergebruiken, om binnen het oude systeem winst te blijven maximaliseren. Het gaat over de moed om te vragen wie er beter van wordt, wat we werkelijk nodig hebben, en of we meer kunnen doen met minder.

Back to blog

Become a Future Entrepreneur

Join a live cohort and learn how your organization can effectively face the polycrisis while serving a future worth living in.

Learn more